VLOT vzw

Vereniging van Leerkrachten Oude Talen

 

Nieuws   Vereniging   Tijdschrift   Activiteiten   Nieuwsbrief   Informatie   Forum   FAQ   Contact

 

> Nieuws > Informatie >

 

Onderwijs in Vlaanderen

 

 

 

 

 

Organisatie van het secundair onderwijs

 

De voorbije decennia zijn er een aantal belangrijke staatshervormingen geweest, die België hebben veranderd in een federale staat met drie gemeenschappen: een Vlaamse, een Franstalige en een Duitstalige gemeenschap. Ten gevolge van die hervormingen is onderwijs niet meer, zoals vroeger, de bevoegdheid van de federale regering, maar van de gemeenschappen. In deze bijdrage zullen we ons beperken tot het onderwijs in de Vlaamse Gemeenschap.

 

Leerplichtonderwijs

 

Onderwijs in Vlaanderen is verplicht. Het begint op 1 september van het jaar waarin een kind de leeftijd van 6 jaar bereikt en duurt 12 volledige schooljaren. Na 6 jaar basisonderwijs gaat een kind naar de middelbare school op de leeftijd van 12 jaar. Ook het secundair onderwijs duurt 6 jaar, verdeeld in drie graden van twee jaar. Vanaf de tweede graad zijn er vier onderwijsvormen: algemeen, kunst-, technisch en beroepsonderwijs. In principe leidt alleen de laatste vorm tot een einddiploma (na een extra zevende leerjaar); in de andere vormen zijn de leerlingen verondersteld hoger onderwijs te volgen. In alle vormen zijn er heel wat verschillende studierichtingen waaruit een leerling kan kiezen.

 

Onderwijsnetten

 

In Vlaanderen is er officieel en vrij onderwijs. Officieel onderwijs wordt georganiseerd door de Vlaamse Gemeenschap, door de provincies en door de steden en gemeenten. Bijna 70 % van alle scholen zijn vrij; het grootste deel daarvan is katholiek. Ook vrije scholen worden gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap. Hoewel er enkele kleine verschillen kunnen zijn tussen de vier onderwijsnetten, worden de basisregels opgelegd door de Vlaamse overheid. Deze basisregels betreffen de structuur en organisatie van het onderwijs (bv. drie graden, onderwijsvormen, leeftijd van leerplicht enz.) en de eindtermen (minimumdoelstellingen die moeten worden bereikt door de meerderheid van de leerlingen). Afhankelijk van haar eigen pedagogisch project kan een school meer doelstellingen hebben dan de verplichte, hetgeen mogelijke verschillen tussen scholen verklaart. In de praktijk echter is het onderwijs in de meeste scholen min of meer hetzelfde.

 

Organisatie van een schooljaar

 

In het secundair onderwijs wordt er lesgegeven gedurende minstens 32 lesuren van elk 50 minuten per week. Op woensdagnamiddag en in het weekend zijn de leerlingen vrij. Het schooljaar begint op 1 september en eindigt op 30 juni. Er zijn ongeveer vijftien weken vakantie in een jaar: één week herfstvakantie (rond Allerheiligen), twee weken kerstvakantie (rond Kerstmis en Nieuwjaar), één week krokusvakantie (rond carnaval) en twee weken paasvakantie (rond Pasen); de zomervakantie duurt de volledige maanden juli en augustus.

 

 

Klassieke talen in het secundair onderwijs

 

Latijn

 

Leerlingen kunnen Latijn studeren vanaf 12 jaar in heel het secundair onderwijs, d.w.z. gedurende zes jaar. Vanaf het tweede leerjaar kunnen ze verder alleen Latijn studeren of het combineren met Grieks. In de derde graad van het secundair onderwijs zijn er vier mogelijke combinaties: Grieks-Latijn, Latijn-moderne talen (met extra Frans, Engels, Duits en Spaans), Latijn-wetenschappen (met extra aardrijkskunde, biologie, chemie en fysica) en Latijn-wiskunde (met 6 tot 8 lesuren wiskunde per week). Afhankelijk van het onderwijsnet, de studierichting en het leerjaar krijgen de leerlingen per week 3, 4 of 5 lesuren Latijn.

 

De eerste graad is in principe gewijd aan het verwerven van de Latijnse basiswoordenschat en -spraakkunst; daarnaast wordt er aandacht besteed aan de Romeinse cultuur en aan de lectuur van (vereenvoudigde) Latijnse teksten. Vanaf het derde of vierde leerjaar worden Latijnse auteurs gelezen in hun originele vorm. Er kunnen enkele verschillen zijn tussen de onderwijsnetten, maar op het programma in de meeste scholen staan Caesar, Ovidius, Vergilius, Tacitus en Cicero; Romeins recht en antieke filosofie zijn eveneens verplicht.

 

Er bestaat geen systeem van centrale examens. Iedere leerkracht is verantwoordelijk voor de evaluatie van zijn eigen leerlingen. Dit betekent natuurlijk niet dat evaluatie volledig willekeurig is. De eindtermen, de leerplannen en de pedagogische begeleiding voorzien leerkrachten van instructies en suggesties in verband met de manier van evalueren. Gedurende het schooljaar kunnen er toetsen worden gegeven over cultuur, vocabularium, grammatica en teksten; daarnaast zijn er ook toetsen over teksten die niet in de klas werden behandeld. Twee- of driemaal per jaar (altijd voor de kerst- en de zomervakantie, in de eerste en tweede graad van het katholiek onderwijs meestal ook voor de paasvakantie) organiseren scholen examens, waarin de leerstof van de voorbije maanden wordt getoetst.

 

Grieks

 

Leerlingen kunnen Grieks studeren vanaf 13 jaar, dus vanaf het tweede leerjaar van het secundair onderwijs, d.w.z. gedurende vijf jaar. Ze kunnen alleen Grieks studeren of het combineren met Latijn. In de derde graad van het secundair onderwijs zijn er vier mogelijke combinaties: Grieks-Latijn, Grieks-moderne talen (met extra Frans, Engels, Duits en Spaans), Grieks-wetenschappen (met extra aardrijkskunde, biologie, chemie en fysica) en Grieks-wiskunde (met 6 tot 8 lesuren wiskunde per week). Afhankelijk van het onderwijsnet, de studierichting en het leerjaar krijgen de leerlingen per week tussen 2 en 5 lesuren Grieks.

 

Het onderwijssysteem voor Grieks is vergelijkbaar met dat voor Latijn. In de eerste twee leerjaren (d.w.z. het tweede en derde leerjaar van het secundair onderwijs) wordt de meeste aandacht besteed aan het verwerven van de Griekse basiswoordenschat en -spraakkunst, maar ook aan de Griekse geschiedenis en cultuur en aan de lectuur van (vereenvoudigde) Griekse teksten. Daarna worden Griekse auteurs gelezen in hun originele vorm. Terwijl die auteurs in het officieel onderwijs worden gelezen op een meer thematische manier (d.w.z. niet per auteur, maar per thema), is er in het vrij onderwijs een soort canon met o.a. Herodotus, Homerus en Plato.

 

Het evaluatiesysteem voor Grieks is precies hetzelfde als voor Latijn. Het enige verschil is dat toetsen over niet-behandelde teksten pas vanaf de tweede graad van het secundair onderwijs worden gegeven.

 

Antieke cultuur

 

In sommige scholen van het vrij onderwijs bestaat er een vak 'antieke cultuur' (1 lesuur per week). Normaal gezien echter wordt alles wat er te vertellen is over de antieke geschiedenis en cultuur geïntegreerd in de lessen Latijn en Grieks. Ook het vak 'geschiedenis' (2 lesuren per week) besteedt in de eerste graad van het secundair onderwijs een volledig schooljaar aan de oudheid (Egyptenaren, Grieken en Romeinen).

 

 

Lerarenopleiding klassieke talen

 

Er bestaat een mogelijkheid om Latijn te studeren op hogeschoolniveau. Die studies duren drie jaar en leiden tot de graad van bachelor. Afgestudeerden mogen lesgeven in de eerste en de tweede graad van het secundair onderwijs. In dit geval is de lerarenopleiding een onderdeel van de professionele bacheloropleiding.

 

In de praktijk zijn nagenoeg alle leerkrachten klassieke talen masters. Ze hebben gedurende vier jaar Latijn en/of Grieks gestudeerd aan de universiteit. Twee Vlaamse universiteiten bieden een academische opleiding Latijnse en Griekse taal- en letterkunde aan: Gent en Leuven. De belangrijkste vakken in die studies zijn Latijnse en/of Griekse taal en literatuur, antieke geschiedenis, filosofie, religie en archeologie. Daarnaast zijn er enkele meer algemene vakken, zoals een overzicht van de westerse filosofie, moderne literatuur, kunstgeschiedenis, historische kritiek en taalkunde.

 

De lerarenopleiding voor masters wordt ook georganiseerd door de universiteit. Ze bestaat uit een programma van één jaar, hoewel heel wat studenten al enkele vakken volgen tijdens hun klassieke studies. De academische lerarenopleiding omvat cursussen algemene didactiek, historische en sociologische aspecten van het onderwijs, communicatieve vaardigheden, pedagogische componenten van het leraarschap, adolescentiepsychologie enz. Een groot deel van de opleiding wordt ingenomen door meer specifieke modules, met theorie en praktijkoefeningen in verband met het lesgeven in klassieke talen. De studenten moeten ook stage lopen in een secundaire school.

 

 

 

VLOT vzw | Oude-Bruglaan 2 bus 402, 9160 Lokeren | tel. 09 279 24 36 | info@vlot-vzw.be